cross

Nederlands

Categorie:Woorden in het NederlandsCategorie:Woorden in het Nederlands van lengte 5Categorie:Retrograad van het Nederlands#ssorc%20ssorc
Uitspraak
Woordafbreking
  • cross
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord cross crossen
crosses
verkleinwoord crossje crossjes
Categorie:Zelfstandig naamwoord in het NederlandsCategorie:Telbaar

Zelfstandig naamwoord

Categorie:Zelfstandig naamwoord in het Nederlands

decrossm [2]

  1. (sport)Categorie:Sport in het Nederlands wedstrijd door open terrein vol natuurlijke hindernissen
  2. als eerste deel van samenstellingen, min of meer aan het Engels ontleend: op verschillende deelgebieden betrekking hebbend, kruislings doorsnijdend
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

89 %van de Nederlanders;Categorie:Prevalentie Nederland 89 %25
90 %van de Vlamingen.[3]Categorie:Prevalentie Vlaanderen 90 %25

Meer informatie

Verwijzingen

Engels

Categorie:Woorden in het EngelsCategorie:Woorden in het Engels van lengte 5
Uitspraak
Woordafbreking
  • cross
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse zelfstandige naamwoord crux.
stellend vergrotend overtreffend
crosscrossercrossest
Categorie:Bijvoeglijk naamwoord in het Engels

Bijvoeglijk naamwoord

Categorie:Bijvoeglijk naamwoord in het Engels

cross

  1. balorig, boos, geërgerd, kregel, kwaad, nijdig, tegenwerkend, toornig, verstoord, vertoornd, slechtgehumeurd
Afgeleide begrippen
Naar frequentie 1343 werkwoord
vervoeging
onbepaalde wijs to  cross 
he/she/it  crosses 
verleden tijd  crossed 
voltooid
deelwoord
 crossed 
onvoltooid
deelwoord
 crossing 
gebiedende wijs  cross 
Categorie:Werkwoord in het Engels

Werkwoord

Categorie:Werkwoord in het Engels

cross

  1. overgankelijkCategorie:Overgankelijk werkwoord in het Engels kruisen
    «Those two roads do not cross anywhere.»
    Die twee wegen kruisen elkaar nergens.
  2. overgankelijkCategorie:Overgankelijk werkwoord in het Engels doorkruisen
  3. overgankelijkCategorie:Overgankelijk werkwoord in het Engels oversteken (straat, rivier)
    «He crossed the street.»
    Hij stak de straat over.
  4. overgankelijkCategorie:Overgankelijk werkwoord in het Engels dóórtrekken
    «They were crossing the Sahara when disaster struck.»
    Ze waren bezig de Sahara door te trekken toen er een ramp gebeurde.
  5. overgankelijkCategorie:Overgankelijk werkwoord in het Engels kwaad maken, dwarsbomen
    «You'll rue the day you tried to cross me, Tom Hero!" bellowed the villain.»
    "Je zult de dag berouwen dat je getracht hebt me te dwarsbomen, Tom Hero" brulde de schurk.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • to cross (one's) mind
  • to cross (someone's) palm
  • to cross paths
  • to cross swords
Naar frequentie 1343 zelfstandig naamwoord
enkelvoud meervoud
cross crosses
Categorie:Zelfstandig naamwoord in het Engels

Zelfstandig naamwoord

Categorie:Zelfstandig naamwoord in het Engels

cross

  1. kruis
  2. kruising
  3. kruisteken
Categorie:Bijvoeglijk naamwoord in het Engels Categorie:Overgankelijk werkwoord in het Engels Categorie:Prevalentie Nederland 89 % Categorie:Prevalentie Vlaanderen 90 % Categorie:Retrograad van het Nederlands Categorie:Sport in het Nederlands Categorie:Telbaar Categorie:Verkorting in het Nederlands Categorie:Werkwoord in het Engels Categorie:WikiWoordenboek:Wikilink Categorie:Woorden in het Engels Categorie:Woorden in het Engels met IPA-weergave Categorie:Woorden in het Engels met audioweergave Categorie:Woorden in het Engels van lengte 5 Categorie:Woorden in het Nederlands Categorie:Woorden in het Nederlands met IPA-weergave Categorie:Woorden in het Nederlands met audioweergave Categorie:Woorden in het Nederlands van lengte 5 Categorie:Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands Categorie:Woordenlijst Nederlandse Taal Categorie:Zelfstandig naamwoord in het Engels Categorie:Zelfstandig naamwoord in het Nederlands